Telefoon in niemandsland

Geplaatst op 30 oktober 2007

'Rob, heb je het nieuws gehoord vandaag?' Boudewijn Schoewert, de eindredacteur van de Reunie kan het altijd zo lekker brengen. Die licht geforceerd vrolijke toon, de veel te lange stilte erna, ik weet dan altijd precies dat er helemaal geen reden tot vrolijkheid is. 'Nou Boudewijn, hier in Gaza doen ze niet zo aan nieuws.' Boudewijn deelt zo opgewekt mogelijk mee dat Israel een uur geleden Gaza tot vijandelijk gebied heeft verklaard en Hamas, de regerende partij in gaza heeft zouist verklaard dat ze dat opvat als een oorlogsverklaring. ' Het staat op het punt van escaleren daar bij jou. Kijk je asjeblieft uit?' Ik kijk uit zoveel ik kan. Ik kijk in de verte of ik al een kolonnen van zelfmoordcommandos aan zie komen. Ik kijk naar de Isralische wachttorend in de verte om te zien of ik activiteit bespeur. En ik kijk vooral mijn ogen uit naar een veilige schuilplaats. Op het moment dat de telefoon rinkelde had ik net mijn paspoort overhandigd aan de Palestijnse douanebeambte. We - Edwin Vermeulen, Kitty Korring, Hans Duran en ik- staan aan de rand van het niemandsland dat Israel van Gaza scheidt. Het is een strook van een kilometer waar alles is platgebulldozerd. 'Dat is om de Israelische soldaten vrij schootsveld te geven op terroristen' was me eerder verteld. De grens terug naar Israel is dicht. Een Deense zakenman mag er ook niet door. 'Een zelfmoordcommando rijdt ook dwars door deze post' vertelt hij. 'De Palestijnen schieten er wel op, maar kunnen ze met hun wapens nooit tegenhouden. De Israeli's openen dan het vuur op alles wat beweegt, inclusief de Palestijnse douane.' Leuk, fijn. Mijn hart bonst in mijn keel. De dag dat we Gaza ingingen was er al een raket gevallen. Op de weg waar ik nu in de brandende zon sta te wachten op mijn paspoort. 'Als je een fluittoon hoort moet je dekking zoeken achter een muurtje' is het algemene advies. Ik kijk om me heen. Muurtjes? Niks muurtjes. Alles is zo grondig platgewalst dat er zelfs niks hoger is dan een centimeter of twintig. Ik heb me in mijn leven voorgenomen nooit eerder in paniek te raken dan de mensen die het kunnen weten. Dat lijkt een wijze houding. Uren heb ik de lichaamstaal van stewardessen bestudeerd in de hoop een signaal te zien dat de motor nu toch echt in brand staat. Dat was in de tijd dat ik bang was om te vliegen. En ruim voor de dag dat ik naast een piloot zat wiens toestel nog maar op 1 sputterende motor vloog en mij zo rustig mogelijk vroeg mag ik m ergens neerzetten terwijl beneden niets anders te zien was dan dicht tropisch regenwoud. Tien ik goed naar hem keek zag ik de aderen in zijn nek kloppen. Toen ben ik ook maar in paniek geraakt. Vandaag heb ik ook verdomd veel zin om in paniek te raken. Maar paniek is gevaarlijk. In paniek doen mensen stomme dingen. Zoals naar een Isralische muur rennen , al zwaaiend mensen, ik ben het maar. Ik bestudeer de taxichauffeurs bij het grenshokje. Ze staan loom in de enige rand schaduw die wordt opgeworpen door de felgele en splinternieuwe mercedessen en Kias. Zij maken zich in elk geval nergens druk over. Misschien weten ze helemaal niet dat een paar kilometer verderop een jongetje spijkers in een waterleidingpijp stopt om hem zo meteen op zijn felgele auto te laten vallen. Misschien verklaren ze hier elkaar wel elke dag de oorlog. Misschien interesseert ze wel niks meer. Maar mij interesseert het nog wel. En ik wil hier zo snel mogelijk weg, zo ver mogelijk vandaan. Niet omdat ik Gaza niet leuk vond integendeel ik vond het bere-interessant en ik heb met de mensen vreselijk veel lol gehad ook maar omdat ik het zat om een sitting duck te zijn. Bij een noodlanding kan je je nog schrap zetten, bij een meneer met een doorgeladen pistool kan je wellicht nog onderhandelen, maar hier sta ik , zonder paspoort, met een dichte grens en achter me een gebied waar mogelijk elk moment de pleuris uit kan breken. Ik ben doodop ook van de voortdurende chaos in mijn hoofd. Waarom mogen we hier niet filmen, waarom toetert iedereen naar ons, wat zegt die meneer achter dat groentestalletje op bijtende toon en waarom mag niemand in de buurt weten dat we met een fles prosecco door het hotel lopen? Jan Willems, de gast die we voor de Reunie in de Gaza bezochten, lacht zich waarschijnlijk scheel als hij dit hoort. Hij lijkt fluitend door het leven te gaan, daar. Terwijl zijn vrouw Jacky ook tekenen van een nervous breakdown vertoont. Twee dagen lang riep ze in de auto bij alles i dont like this at all. Als er zandhopen in de straat lagen, als er veel mensen bij elkaar stonden en zelfs als er helemaal niemand op straat te zien was: normally, its much more crowded at this time of day I dont like it at all! Ooit wilde ik oorlogscorrespondent worden. Tot ik na vier jaar bij een gewone krant waar ik voornamelijk berichtte over het slaan van eerste palen de eerste tekenen van verzuring begon te vertonen die ook enkele oudere collegas zo kenmerkten. Toen ben ik snel cabaretier geworden, of hoe het ook heet dat ik nu ben. Als ik Conny Mus zie, denk ik weleens, jongen ga toch een paar jaar de land- en tuinbouwberichten doen. Mensen vertellen dat hij nog nooit in Gaza is geweest, maar verslag doet vanaf het balkon van zijn hotel. Houden zo Conny, oorlog, dat is niks voor ons. Na drie kwartier krijgen we onze paspoorten terug. Ik pak het dankbaar aan, alsof ik drie jaar ben en jarig en het grootste cadeau mag uitpakken. De Isralische perskaart om onze nekken heeft weer eens geholpen. De grens is dicht, maar wij mogen door. Ik schaam me bijna als ik de driehonderd meter niemandsland oploop tot het begin van de tunnel die ons naar Erez voert. Palestijnen mogen er niet door. De Deense zakenman mag er niet door. Misschien mag Jan er morgen niet eens door en is hij niet op tijd in de studio. En ik mag erdoor omdat ik me voordoe als journalist. Een beroep dat ik, net als het vak van tv-presentator, eigenlijk helemaal niet wil zijn. Maar andermaal haalt de camera ons uit de problemen.