VAN HERO NAAR ZERO

Geplaatst op 20 september 2011

Zo sta je op het podium en zo ben je de risee van het hele startveld. Dat overkwam me in Assen tijdens mijn laatste wedstrijd van dit seizoen in het Dutch GT4-kampioenschap; langzaamste in de training, allerlangzaamste in de sprintrace en uitgevallen in de hoofdrace.

De hele middag regent het pijpestelen op Assen. Maar net voordat wij aan onze sprintrace moeten beginnen klaart het op. De baan is nog kletsnat, maar zegt Jelle, mijn engineer en hoofd strategie van het team: ‘Je hebt niks te verliezen, je staat toch laatste. Binnen vier ronden is het kurkdroog, dan moet iedereen naar binnen. Het enige dat je moet doen is vier ronden op de baan blijven, dan win je de wedstrijd.’

Ik heb inderdaad niks te verliezen. Voor de tweede maal dit seizoen wordt de BMW in de trainingen geplaagd door technisch malheur, waardoor we niet of nauwelijks aan rijden toekomen. In de vrije training begeeft de stuurbekrachtiging het weer, tijdens de kwalificatie laten een cylinder het afweten. Daarom sta ik nu achteraan het 22 man sterke Europese veld. Met een paar angstige herinneringen in het achterhoofd. Want als de motor problemen krijgt schakelt hij over op een soort noodloop om de boel te sparen. Uiteraard overkomt me dat tijdens de kwalificatie net voor de snelste bocht van het circuit: de beruchte ramshoek waar je het liefst met 200 kmph induikt en weer uitkomt. Uitgerekend daar beslist de auto dat 60 per uur hard zat is. Ik zie de Corvette van Peter van der Kolk razendsnel groter worden in mijn spiegel en kan alleen maar hopen dat hij goed inschat hoe langzaam ik rij. Teamgenootje Henry Zumbrink overkwam eerder al hetzelfde en kreeg een Aston Martin vol in zijn deur. Ik maak me zo klein mogelijk en kom er zonder kleerscheuren vanaf. Behalve dat Peter na afloop nog wel even op zijn voorhoofd tikt, maar dat is gelukkig snel genoeg uitgelegd.

Maar goed, met de schrik toch een beetje in de benen waag ik me aan het meest hachelijke avontuur uit mijn raceloopbaan tot nu toe. Op slicks met 420 pk de natte baan op. Als enige. ‘Moedig hoor!’ En: ‘dapper!’ roept iedereen op de pregrid , het laatste moment om zonder tijdverlies banden te wisselen. Overal lachende gezichten. Echte racelegende Cor Euser verschijnt nog even voor de ruit van mijn racewagen. Hij kijkt onder de auto, trekt zijn mondhoeken naar beneden in een bewonderende uitdrukking en steekt dan zijn duimen in de lucht.

Hoewel alle tegenstanders met lichte afgunst naar me kijken durft niemand de gok aan: Jan Lammers niet, Ricardo van der Ende niet en ook mijn teambaas Peter Stox niet. Hij rijdt voor deze ene keer in de Porsche, samen met Nelson van der Pol en heeft iets te hard geroepen dat hij kost wat kost voor me wil eindigen. Nu is hij voor twee dingen bang: dat ik op slicks na een paar ronden hem voorbijschiet of ik stilsta of dat ik zijn BMW verbouw tot een artistieke versie van de nieuwe-1-serie.

Het loopt allemaal anders dan verwacht, gehoopt en gevreesd. In de eerste bocht knallen drie auto’s op elkaar ( ik slalom er net tussendoor en denk: ‘wie volgt) , maar het opruimen van de wrakken kost zoveel tijd dat we bijna een kwartier met een slakkengang achter de safetycar rijden. In dat tempo droogt de baan niet op. En de baan blijkt ook veel natter dan gedacht. Want zelfs in het slakkentempo van de sfateycar heb ik nog grote moeite om de auto’s voor me bij te houden. ‘Volhouden Rob, het wordt echt droog,’ houdt Jelle vooral vol. Dus verdwijnt het hele veld in een wolk van spray uit het zicht als de safetycar de pits induikt. Natuurlijk begint het ook meteen weer te miezeren, maar omdat het nog maar zes ronden zijn is banden wisselen nutteloos.  Ik vecht om de auto rechtuit te laten rijden, laat staan een hoek om te krijgen. Zelfs halfgas in de derde versnelling wil de BMW op het rechte stuk nog liever de vangrails in dan op het asfalt blijven. Net voor de finish doemt de kop zelfs in mijn spiegels op.  Ook dat nog: uitgerekend Jan Lammers, de man die de vorige wedstrijd zijn beker aan mij moest inleveren, zet me net voor de finish op een ronde.  Ik denk dat hij een heel brede grijns op zijn gezicht had.

Dat hadden in elk geval alle andere coureurs die ik na afloop tegenkwam. Die keken naar me, schudden dan hun hoofd en barsten in lachen uit. En teambaas Peter Stox nog het hardst.

In de hoofdrace ging het allemaal niet veel beter. Vermeld moet worden dat teamgenoot Henry Zumbrink onvoorstelbare kunsten vertoonde met de auto. Vanaf de laatste plaats stootte hij in een half uur door naar de derde stek, met rondetijden die sneller waren dan Ricardo van der Ende en Tom Coronel. Jammer genoeg kon ik dat tempo, of iets waar ik trots op zou kunnen zijn, niet bieden. En gebrek aan ronden op de droge baan, te weinig ervaring met lijnen die je dan kunt rijden, er zijn allerlei excuses, maar ik was seconden langzamer dan Henry en zakte af naar de zesde plek. Nog altijd goed genoeg voor een podium in de legend cup, maar vier ronden voor het einde hoorde ik een grote krak van onder de auto en kwam er bij elke wisseling van versnelling een holle ‘kloink’ uit de achteras. Het tempo ging nog verder naar beneden en ik was meer bezig te bedenken of ik nu olie rook of dat er buiten illegaal afval werd verbrand. De voorlaatste ronde stond de cockpit zo vol rook dat het leek alsof Peter Stox achter de teambarbeque had plaatsgenomen. ‘Doorrijden,’ riep engineer Jelle weer in mijn oor. ‘Nog 1 ronde en je hebt een podium.’

Maar na alle ellende vond ik het eventjes welletjes. Nog los van de schade die doorrijden zou veroorzaken schoot me het verhaal te binnen van die coureur ergens in een ver en vreemd land die vorig jaar op de intensive care wakker mocht worden omdat hij giftige rook had ingeademd. Overigens, hij werd niet meer wakker.

Dus heb ik  de beamer de pits in gestuurd en me verontschuldigd tegenover Jelle.

Schale troost: Peter Stox reed in zijn ijver om bij te blijven te hard door de pitstraat, moest voor straf nog een keer langzaam door de pits rijden en reed toen weer te hard. Dat is bijna nog dommer dan met slicks op een natte baan rijden. Bovendien eindigde hij daardoor ook nog achter ons, ondanks dat ik een ronde eerder ben opgehouden.

Omdat we allebei de laatste wedstrijd moeten missen door andere verplichtingen kan ik hem daar de hele winter mee pesten. Nu ik er nog eens over nadenk; eigenlijk was het een heel leuk raceweekeinde.

En mag ik tot slot van de gelegenheid gebruik maken om iedereen te bedanken voor een leuk en vooral sportief seizoen: PS Autosport, mijn privesponsors TW Steel, Eurol, Rucanor, DPA en TMS, de monteurs van Power Motorsport, iedereen die de races bezocht en deze brief las en de tegenstanders op de baan. Het was een voorrecht om weer een jaartje GT4 te mogen rijden.