Vis in mijn vliegen

Geplaatst op 17 mei 2006

Het landje dat Hanna Hemmink in Senegal bewoont ziet er ydillisch uit. Een zandvlakte, wat bomen met cashewnoten, een paar stenen gebouwtjes en een waterput die zijn energie krijgt van zonnepanelen. Ik voel me er direct thuis als Hanna me aanraadt mijn schoenen uit te doen en op mijn blote voeten door het hete zand te banjeren. Herinneringen aan eindeloze zomers op het strand wellen in mij op. "Sommige mensen vinden een stad normaal, maar dit vind ik dus normaal", legt Hanna haar levensvisie uit. En verdomd, even vind ik dat ze groot gelijk heeft. "Zitten hier geen enge beesten dan?" vraag ik voor de zekerheid. "Ja, je moet wel even uitkijken voor de schorpioenen en de huisslang." Even denk ik nog dat ze tuinslang zegt, dan dringt het tot me door. "Laatst zat hij in mijn slaapkamer. Toen heb ik hem vriendelijk verzocht ergens anders te gaan zitten en toen ging hij vanzelf weg." Heel normaal als je in Senegal bent opgegroeid. Hanna woont er al twintig jaar, is getrouwd met een Senegalees en kreeg er vier kinderen. Haar man Xali is inmiddels overleden en soms betwijfelt zelfs Hanna hoe ze het in haar eentje moet rooien. "Ik zou het liefst een cordon van waterputten door de woestijn van Senegal tot aan Sudan maken" lucht ze haar hart. "Maar dan denk ik vervolgens: zorg nu maar eerst eens dat je eigen put het doet." Een vetpot is het leven in Afrika niet. Van de opbrengst van de cashewnotenbomen kan Hanna niet leven en als haar moeder niet af en toe haar wat toe zou stoppen dan zou zelfs het laatste restje luxe nog wegvallen. In een poging de blanke weldoener uit te hangen koop ik voor haar zoontje een plastic voetbal. "Het moet een leren zijn, maar die kan je alleen in Dakar kopen", moppert Hanna als ik het cadeau overhandig. Wat ik voor ondankbaarheid houd blijkt al snel kennis van de praktijk te zijn, want na nog geen tien minuten is de bal lekgeslagen door de scherpe stenen in het zand. Ook de elektrische pomp die Hanna voor een ander dorp heeft geinstalleerd is na een dag alweer buiten gebruik. "Ruzie over de verdeling van het water", legt Hanna uit. "Nu komt het water zo snel naar boven dat de eerste die er bij is al het water voor de hele dag verbruikt. Dus moeten er eerst goede afspraken gemaakt worden. Maar als ik dat niet doe doet niemand het." We praten over het leven in de wildernis terwijl Hanna koffie zet. Nou ja, zet, het is een ritueel dat drie kwartier duurt. Op een open vuur worden eerst de verse koffiebonen gemalen, daarna stampt Hanna ze fijn en dan pas begint het eigenlijke koffiezetten. Ze doet er ook nog een paar takjes in waarvan de naam me nu ontschoten is, maar die de koffie extra pittig maakt. In ruil voor de traktatie maak ik de lunch klaar. Dat is minder een succes. Ik vroeg me al af waarom vrijwel niemand verse vis eet, terwijl het dorpje toch praktisch aan zee ligt. Daar kom ik achter als ik de schaal met geroosterde vissen naar buiten draag. Als ik me even omdraai is de schaal bedekt met zo'n dikke laag insekten dat regisseur Marc Braun roept: "ober er zit vis onder mijn vliegen." En het is nog echt waar ook.